Sorry, you need to enable JavaScript to visit this website.
Overslaan en naar de inhoud gaan
Like Dislike

Groeihormoonstoornis

Heeft mijn kind een groeihormoonstoornis?

Leestijd: 3 minuten

De groei van je kind wordt vanaf het moment dat hij of zij in de buik zit tot aan zijn of haar achttiende levensjaar regelmatig gecontroleerd. Als de groeicurve van je kind aanhoudend te laag is, wordt gezocht naar de mogelijke oorzaak van de groeiachterstand. Je kind krijgt dan verschillende onderzoeken om onder meer te bepalen of er sprake is van een groeihormoonstoornis.

Van elk kind in Nederland wordt vanaf de geboorte regelmatig gecontroleerd of de groeicurve normaal is. Zowel de verloskundige, het consultatiebureau als de schoolarts noteren alle gegevens omtrent gewicht en lengte in een groeicurve.

Heeft mijn kind een groeihormoonstoornis? | Pfizer Nederland

Mijn kind is te klein

Wanneer de groeicurve van je kind tijdens meerdere meetmomenten een stuk onder het gemiddelde zit, wordt je kind doorverwezen naar een kinderarts. Vaak heb je als ouders dan ook al gesignaleerd dat je kind kleiner blijft dan andere kinderen van dezelfde leeftijd. Een afwijking in de groei betekent echter niet altijd dat er iets mis is. Ieder kind is uniek en niemand groeit precies volgens het boekje.

Als blijkt dat je kind écht te klein blijft, zal de huisarts of de arts van het consultatiebureau samen met jullie als ouders kijken of je kind wel goed eet en of het vaak ziek is. Blijft de oorzaak van de groeiachterstand onduidelijk, dan word je doorverwezen naar de kinderarts. Om vast te kunnen stellen of er sprake is van een groeistoornis, gaat de kinderarts het kind verder onderzoeken.
 

Onderzoek naar groeistoornissen

Het is belangrijk dat beide ouders bij het eerste bezoek aanwezig zijn. Niet alleen omdat twee ouders meer weten en opslaan dan één, maar ook omdat de arts een beter beeld krijgt van de familiegeschiedenis en erfelijke factoren. Naast informatie over de ouders zal de arts zoveel mogelijk willen weten over de gezondheid van het kind na de geboorte en in de eerste levensjaren.

Als een kinderarts vermoedt dat er mogelijk sprake is van groeihormoontekort, kunnen er verschillende onderzoeken gedaan worden om hierachter te komen.

Zo wordt een röntgenfoto van de linkerhand van je kind gemaakt om zijn botleeftijd te kunnen vaststellen. Het is belangrijk om te weten of de botleeftijd overeenkomt met de werkelijke leeftijd van je kind. Als de botleeftijd lager uitvalt, kan dat eventueel wijzen op een tekort aan groeihormoon. Verder wordt de aanmaak van groeihormoon getest. Normaal gesproken geeft de hypofyse dag en nacht groeihormoon af aan het lichaam, in steeds wisselende hoeveelheden. De pieken liggen ‘s avonds en ‘s nachts.

Infuus dat hypofyse prikkelt

Met bloedonderzoek is te bepalen hoeveel groeihormoon er op dat moment in het bloed zit, maar niet of er sprake is van groeihormoontekort. Om dat te bepalen, krijgt je kind een infuus met een stof die de hypofyse prikkelt om groeihormoon af te geven. Tijdens de test wordt regelmatig bloed afgenomen. Wanneer na herhaaldelijk testen blijkt dat de hypofyse onvoldoende reageert en te weinig groeihormoon afgeeft, kan de specialist met zekerheid zeggen dat je kind groeihormoontekort heeft.

Soms laat de arts nog een MRI-scan van de hersenen maken

Soms zal de arts nog een MRI-scan van de hersenen van je kind laten maken. Dat gebeurt alleen als het vermoeden bestaat dat het tekort aan groeihormoon is ontstaan doordat de hypofyse is beschadigd of zich niet goed heeft ontwikkeld.

Wanneer de kinderarts met zekerheid vaststelt dat een behandeling met groeihormoon nodig is, is het belangrijk om deze behandeling zo snel mogelijk te starten. Dan krijgt het lichaam de kans om de groeiachterstand in te lopen en zich te herstellen.

Wanneer de kinderarts vaststelt dat een behandeling met groeihormoon nodig is, is het belangrijk om deze zo snel mogelijk te starten.

Een groeiachterstand kan verschillende oorzaken hebben. Factoren die van invloed zijn op de groei zijn te verdelen in drie groepen: omgevingsfactoren, erfelijke factoren en ziekten. Ongezonde voeding of ondervoeding, verkeerd en overmatig sporten, stress door slechte leefomstandigheden, mishandeling, emotionele of fysieke verwaarlozing, drugs, roken en overmatig alcoholgebruik tijdens de zwangerschap en het wisselen van de seizoenen zijn allemaal omgevingsfactoren die de groei van een kind negatief kunnen beïnvloeden.

Heeft mijn kind een groeihormoonstoornis? | Pfizer Nederland

Kinderen groeien sneller in de zomer

Wist je bovendien dat kinderen sneller groeien in de zomer dan in de winter? Wetenschappers weten dat dit zo is, maar niet precies waarom. Ze vermoeden dat dit komt door de zon en doordat kinderen even rust hebben van school. Erfelijke factoren die bepalend zijn voor de eindlengte van een kind zijn geslacht (jongens worden meestal langer dan meisjes), lengte van de beide ouders en etnische achtergrond. Mensen uit bijvoorbeeld Azië hebben een andere bouw en lengte dan mensen uit West-Europa.

Er zijn ook ziekten die de groei kunnen vertragen of zelfs stoppen. Voorbeelden hiervan zijn ziekten aan het hart, de longen, de lever, het maagdarmstelsel en de nieren. Ook aanlegstoornissen, zoals een abnormale groei van het bot of kraakbeen of een erfelijke afwijking zoals het syndroom van Turner en het Prader-Willi syndroom waarbij kinderen een tekort aan groeihormoon hebben, kunnen een rol spelen bij de groei van een kind.

Pagina beoordelen Like Dislike