Leestijd: 4 minuten
Bij longkanker ontstaat er een kwaadaardige tumor in het longweefsel of de luchtpijpvertakkingen. Doordat de tumorcellen zich via het bloed en de lymfeklieren kunnen bewegen, kunnen ze zich ook naar andere organen verspreiden en uitzaaiingen veroorzaken. In Nederland krijgen ruim 12.500 mensen per jaar de diagnose longkanker. Bij ongeveer de helft van hen is de kanker dan al uitgezaaid.
Meestal groeit de tumor geleidelijk en beschadigt hij eerst het longweefsel en gaat dan de werking van de longen verstoren.
De kans op uitzaaiing is het grootst bij kleincellige longkanker. De uitzaaiingen kunnen overal in het lichaam zitten. Meestal zaait longkanker uit naar de lymfeklieren, botten, lever, hersenen, bijnieren en de andere long.
De medische term voor longkanker is longcarcinoom. Van elke 12 patiënten in Nederland zijn er 7 man en 5 vrouw, zo blijkt uit cijfers van het IKNL (Integraal Kankercentrum Nederland).
Bij mannen komt de ziekte vooral voor tussen de 65 en 80 jaar. Bij vrouwen komt longkanker het vaakst voor tussen de 55 en 80 jaar.
Er zijn twee soorten longkanker: niet-kleincellige longkanker en kleincellige longkanker. Het ligt aan de grootte van de kankercellen welke soort longkanker iemand heeft.
Om dat te onderzoeken worden de kankercellen onder de microscoop bekeken.
De meeste mensen met longkanker hebben niet-kleincellige longkanker. Ongeveer 85 procent van de longtumoren valt onder deze soort. De naam ‘niet-kleincellig’ is afgeleid van het beeld onder de microscoop.
Anders dan bij kleincellige longkanker zijn de niet-kleincellige kankercellen even groot als gezonde longcellen. Niet-kleincellige longkanker groeit in de regel langzaam en zaait minder snel uit dan kleincellige tumoren. De niet-kleincellige longkanker kan jaren in het lichaam aanwezig zijn en geen klachten geven.
Als de tumor klein en gelokaliseerd is, kan een operatie, vaak gevolgd door chemotherapie, voldoende zijn om genezing te brengen. Maar op het moment dat er klachten ontstaan, kan de tumor ook al zijn uitgezaaid.
Er zijn drie typen niet-kleincellige longkanker. De vooruitzichten en behandeling van deze vormen zijn vergelijkbaar, waardoor ze samen in de categorie niet-kleincellige longkanker vallen.
Adenocarcinoom, ook wel het kliercellige type, is de meest voorkomende vorm (40 procent) van longkanker. Dit komt zowel voor bij rokers als bij niet-rokers. De tumor zit meestal in de buitenste delen van de long.
Plaveiselcarcinoom ontstaat uit de cellen die de binnenzijde van de grote luchtwegen bekleden. Ongeveer 30 procent van de longkankers is een plaveiselcarcinoom. Het komt vooral voor bij (voormalig) rokers
Grootcellig ongedifferentieerd carcinoom kan in elk deel van de long voorkomen. Dit type heeft de neiging snel te groeien en zich te verspreiden, waardoor het moeilijk te behandelen is. Grootcellig ongedifferentieerd carcinoom vertegenwoordigt ongeveer tien procent van de longtumoren.
Naast niet-kleincellige longkanker, is er dus ook kleincellige longkanker. Hierbij zijn de kankercellen kleiner dan de gewone longcellen. De tumor ontstaat meestal in de luchtpijp of in een bronchus. Deze soort longkanker groeit sneller en zaait ook sneller uit dan niet-kleincellige longkanker.
De behandeling vereist dan ook meestal chemotherapie en soms ook bestraling. Kleincellige longkanker komt veel voor bij rokers.
De overlevingskansen zijn de afgelopen jaren verbeterd, dankzij betere diagnostiek en nauwkeurigere bestralingsmethoden. Toch overlijden er in Nederland jaarlijks nog ruim 10.000 mensen aan de gevolgen van longkanker. Van de mensen die longkanker krijgen is 19 procent na vijf jaar nog in leven. Tien jaar na de diagnose is dat nog 11 procent.
Bent u Zorgprofessional?PP-UNP-NLD-1732